( 20 )

IVde II O O F D S T Ü'K.

Hoe lang de lijd hun ook anders in deze eenzame verblijfplaats zoude gevallen zijn, nu werd dezelve op eene aange­name en nuttige wijze gesleten, en de toe­stand , waarin zij verkeerden, daardoor dragelijker. Zij legden zich dus iederen avond, dankbaar voor hetgeen zij, ge­durende den afgeloopen dag, hadden mo­gen genieten, op hun mosbed neder, en bragten den nacht in eenen gerusten en verkwikkenden slaap door. In den schoo- nen morgen van den vierden dag, werden onze rotsbewoners zeer vroeg uit hunnen slaap gewekt door een ongewoon en, in hunne ooren, vreemd klinkend gezang. Met drift stonden zij van hunne legersteden op en zagen, hoogst verwonderd, twee Indianen, in eene groote kano gezeten, B 5 regt-