( 85 )

3e Raïs óf havenmeester, die , m naam vast dat opperhoofd, de uitlevering van het, bij de wet bepaalde, gedeelte sla \ en kwam vor­deren. Onder deze slagtoflers nu werden Senex en zijne jonge vrienden opge­nomen , en met dezelve naar het paleis van den Deij gebragt.

Bij het derwaarts gaan , nam de oude man de gelegenheid waar, om den Raïs, die hen vergezelde, op eene beleefde wijze, in de landtaal, te verhalen, wat de oor­zaak was, dat zij zich op het Genuesche schip hadden bevonden , en met welk oog­merk de jonge lieden, die hij zijne kin­deren noemde, zich met hem naar Spanje begaven. De Raïs, verwonderd over de welbespraakte tong van den grijsaard, trad met Senex in gesprek, en bemerkte spoedig, dal hij meer dan een gewoon mensch was. Toen zij aan het verblijf van den Deij waren gekomen, zonderde hij onze zwervers van de overige slaven af, en ge­leidde hen in een beter verblijf dan de F 5

ovc»