DE BEER.

2

zwart, anders rood-bruin van kleur. De Beer wordt somwijlen over dezes voeten langjheeft korte, ronde ooren, kleine, meteene zeer be­weegbare huid voorziene oogen, een scherp gezigt, hetwelke door eenige natuurbeschou- wers echter wordt tegengesproken, eenen zeer fijnen reuk en een scherp gehoor. Zijne pooten zijn sterk en gespierd, en zijne voe­ten bijzonder lang en met zulke scherpe na­gels voorzien , dat hij daarmede op de hoo­rnen kan klimmen. Zijn geluid is een dof ge­brom of een sterk geknor , dal hij dikwijls zonder oorzaak doet hooren. Zijn beengestel veroorlooft hem niet alleen te zitten, maar ook te gaan en te staan als een mensch.

Schoon de Beer gulzig is, valt hij toch den mensch niet ligt aan, of men moest hem daartoe aanzetten , of de honger moest hem plagen. Zijne voorpooten dienen hem tot verdediging en om zijne prooi te van­gen. Door omarming of sterke slagen met