t
DE BEER.
35
rijp maïs, suikerriet en andere vruchten; verder vogeleijeren , als hij de moeder dood gebeten en haar het bloed uitgezogen heeft, mosselen, die hij met veel beleid met zijne sterke klaauwen weet te openen , en krabben , die hij met groote voorzigtig- heid, om niet in hare scharen te geraken , opeet. Gemeenlijk gaat hij in den nacht op roof uit, dewijl hij een gedeelte van den dag verslaapt. Hij is altijd zeer luchtig en werkzaam , ook als hij getemd is, en doet dik- maals zulke boosaardige streken als de aap. Alles , wat men hem geeft, vat hij met de voorpooten aan , om het in den bek te steken. Als hij vreet, zit hij regt op ; hij bemint de lekkernijen buitengemeen , en maakt zich met sterke dranken dronken , als men het hem toelaat.
Zonder bijzondere dankbaarheid aan zijnen weldoener te bewijzen , is hij zeer gevoelig over geledene mishandelingen. Als

