DE VOS.
63
hen. Bij gebrek van ander eten vergenoegen deze Vossen zich met beziën , mosselen , krabben, krengen , enz. De veelvraat is een groot vijand van deze dieren , en als zij in vallen zitten , dan haalt hij hen er uit, om ze zelf te verslinden.
Hun vel wordt door den bontwerker gebruikt. Hun vleesch zou goed smaken , en de Groenlanders geven de voorkeur aan witte Vossengebraad , boven dat van eenen haas. Op Nova-Zembla genazen de Hollanders , door het gebruik van dit vleesch , de scheurbuik.
In Lapland en in het noorden van Azië lteeft men opgemerkt, dat deze dieren even als de lemmings verhuizen , hetwelk echter niet op gezette tijden geschiedt. Als zij voor- af ongewoon huilen , dan trekken zij w r eg ; blaffen zij echter als zij aankomen , dan blijven zij op die plaats gedurende eenigen tijd. In het noorden van Azië trekken zij van

