34

De meid was een braaf maar hoogst eenvoudig mensch, en vond liet niet gemakkelijk om zoo dadelijk op die vraag van ltjcie te antwoorden. Zij hield niet veel van katten, en daar zij al de kousen van het meisje eigenhandig gebreid had, stelde zij daar nog al belang in. Waarlijk, lieve ltjcie, sprak zij, na eenig bedenken, gij begrijpt dat als papa uwe kousen niet medebrengt, wij hier geene andere kunnen krijgen; want waar zou ik toch de wol van daan halen? En wat de kat betreft: het spijt mij ook wel van het arme dier, maar ik geloof dat wij buiten die kat hier toch al eters genoeg hebben, die dagelijks den mond moeten opengehouden worden. Zelfs vrees ik dat Cesar, die zich zoo braaf gekweten heeft, het dikwijls schraal genoeg hebben zal.

Maar Makia, gij moogt wel denken dat papa zijn halve middagmaal wel aan Cesar geven zal, en ik wil gaarne de helft van het mijne aan de kat geven, en zoo met mijn ontbijt ook. En gij weet nog wel dat papa gezegd heeft, dat als wij in Engeland waren ik een lief klein meisje hebben zou om mede te spelen mijn nichtje selina. Ik heb dat nichtje nog nooit ge­zien, en daarom verlangde ik zeer naar haar, dat weet gij. Maar dewijl wij nu toch niet naar Engeland gaan, zou ik graag de kat hebben om mede te spelen, in plaats van de kleine seliua.

De goede kindermeid hield veel te veel van ltjcie, dan dat zij zich in ernst tegen haren wensch zou hebben willen verzetten. Ook kon zij in dit geval er al zeer weinig aan toe of afdoen, daar het moest