80

Dit was een blijde vond, te meer omdat er hoop bestond dat er wel meer zulke hoornen op het eiland wezen zouden.

Toen lucie van een broodboom had hooren spre­ken , had dat hare nieuwsgierigheid zeer gaande ge­maakt. Zij keek dan ook, nu zij vlak voor den boom stond, met de uiterste opmerkzaamheid naar boven, tusschen de takken, en zeido toen, op een toon die van hare teleurstelling getuigde, maar ik zie nergens iets dat naar brood gelijkt, papa!

En hadt gij dan waarlijk gedacht, lucie , dat er brooden, kadetjes en krentenkoekjes aan de takken zouden hangen? Dan moet gij zeker wel grooten honger hebben, kind lief, en ik geloof dat wij daarom best zullen doen met onzen togt heden maar niet verder uit te strekken, maar liever naar de grot terug te keeren, en zien of wij wat te eten kunnen krijgen. Maar in goeden ernst, lucie: ziet gij die kleine appeltjes niet, overal tusschen de takken van den broodboom? Welnu, van die appeltjes maken de Indianen eene soort van brood. Wij zullen dat ook trachten te doen, lucie, en ze te dien einde afplukken, en voorloopig in zand bewaren. Doch hier zijn nog andere dingen, die ons best te pas zullen komen, en dit zeggende raapte de heer howard verscheidene groote kokosnoten op, die door den wind afgeworpen waren, en hij gaf ze aan de meid, om ze meê te nemen naar de grot. Dien avond werd wederom eene eenvoudige godsdienstoefening gehouden, en nadat lucie nog eenige vragen en een paar