131

kuil te lialen, en naar de grot te brengen, en dat ze dan volop te eten zullen Hebben. Ik zou daarom wel willen dat zij het wisten, zoo wel als wij, dat God ook voor de dieren zorgt. O wat ben ik blij, dat ik geen geit ben, of niet zoon jong geitje! Is dat niet eene der zegeningen papa, waarvoor gij mij geleerd hebt dat ik dankbaar moet zijn?

Ja, lucie, gij behoort er hartelijk verheugd en dankbaar om te zijn, dat God u zoo ver verheven heeft boven de redelooze dieren, die geboren worden, leven en sterven, terwijl gij eene onsterfelijke ziel hebt, die geschikt is om eene eeuwigdurende geluk­zaligheid te genieten. En bedenk ook lucie, hoe be­langrijk de ziel van een mensch moet wezen in de oogen van God, daar Hij den prijs niet te hoog ge­acht heeft, waarvoor de verlossing der zielen is ge­kocht geworden. Jezus chkistus heeft zijn leven ten offer gebragt, opdat wij menschen de eeuwige zalig­heid zouden kunnen deelachtig worden. En nu, lucie, zal niet Hij die zijn eigen Zoon heeft overgegeven om voor ons in den dood te gaan, ons mildelijk beschenken met alle andere gaven en zegeningen? wel te verstaan, mijn kind, indien wij niet dwaas genoeg zijn om God te vergeten.

Maar, papa, zijn er dan wel menschen die God vergeten? Hoe kunnen zij Hem vergeten, daar toch alles wat hen in de wereld omringt hen aan God herinneren moet? Weten zij dan niet, papa, dat Hij alle dingen gemaakt heeft? En hoe heerlijk mooi heeft Hij de meeste dingen gemaakt! Laat hen maar

9 *