TWAALFDE HOOFDSTUK.
Lecie had eene wandeling gedaan van meer dan een uur lang, en toen zij nu bij het t’ huis komen haar’ papa in de verte bemerkte, liep zij vrolijk op hem toe, en riep uit: „ Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!”
„ Wat gevonden?” vroeg de heer howard.
„ Wel de naald, papa.”
„ En waar hebt gij de naald dan toch eindelijk gevonden, lucie?”
„ In Cesar's neus, papa.”
„ Wat, in Cesar's neus?”
„ Ja wel, papa. Was het niet heel gelukkig dat ik daarop dacht?”
„ Hoe meent gij dat, lieve meid; ik begrijp waarlijk niets van de zaak.”
„ Het is toch heel duidelijk, papa. Maar het is waar, ik moet het u heelemaal vertellen zoo als het gebeurd is, anders kunt gij het niet goed weten. Zie papa, zoo is het gegaan; ik kwam op den inval om Cesar eens naar de naald te laten zoeken; ik hield hem eene andere naald voor en zeide toen „ zoek.” O, gij had het eens moeten zien hoe hij toen te werk ging in het zand, en het regts en links in de hoogte wierp! En het duurde niet lang of hij begon te blaffen en keek mij aan, en toen zag ik de naald

