166

hard genoeg moest vallen, dat zij hier zoo geheel- van al hare vrienden gescheiden was, en niemand had om eens vertrouwelijk mede te spreken.

Maar, papa, zij heeft mij toch, hernam lucie; en ik spreek heel dikwijls met haar; zelfs maak ik het met praten en vertellen wel eens zoo druk, dat zij zegt het aan haar hoofd niet te kunnen uithou­den. En wat hebt gij op uwe wandeling al verder gezien of ondervonden, papa?

Ik was dan weder naar mijn vorig rustplaatsje onder den hoorn teruggekeerd, omdat ik, alvorens verder te gaan, mij eerst nog wat van de vermoei- jenis herstellen wilde; maar ik had slechts weinige oogenblikken gezeten, toen het gehommel der bijen op eens vervangen werd door een vreemd en verward leven, dat ik niet begrijpen kon wat het was; en ik sprong dan op, om te gaan onderzoeken waar het gerucht van daan kwam; en toen ik nu mijn voet in een klein boschje zette, dat digt bij gelegen was, en waar binnen het rumoer plaats vond, zag ik zulk eene groote menigte apen bij elkander als ik nooit te voren verzameld had gezien. Zij waren de levenmakers die mijne zoete rust gestoord hadden. Enkelen hun­ner klauterden met groote vlugheid in de boomen op en neder; anderen zaten in de takken of hingen daaraan met hunne staarten; en allen, zonder onder­scheid, grijnsden mij aan, en schreeuwden en maak­ten een geweld dat mij hooren en zien verging.

Och papa, breng mij daar eens naar toe, want dat zou ik zoo graag ook eens zien! Ik zou volstrekt