Heiligdommen, godsdiensten, en gewoontens der oude jooden : voorgesteldt in eene uytvoerige verhandeling, van het levitische priesterdom / door Johannes Lundius. Uyt het Hoogduits vertaald door J. LeLong, overgezien en met aanmerkingen verrykt door Gerardus Outhof. Amsterdam : Schoonenburg & Hoorn
Content
- PDF [Ohne Titel]
- Title page
- Stamp
- Het derde Boek, Handelende, van de Offerhanden, de Ordeninge der Priesters, derzelver Ampts-verrichtingen en Inkomsten.
- Het XXXIII. Hooftstuk. Van den Oorsprong der Offerhanden, en de Plaats daar dezelve wierden geoofert.
- 17 Het XXXIV. Hooftstuk. Welke Beesten dater geoffert wierden.
- 34 Het XXXV. Hooftstuk. Van de Aardt-gewassen, die 'er geoffert wierden.
- 37 Het XXXVI. Hooftstuk. Van de Verscheydene Soorten der Offerhanden.
- 40 Het XXXVII. Hooftstuk. Van de Brandt-Offeren.
- 56 Het XXXVIII. Hooftstuk. Van de Brandt-Offeren der Vogelen.
- 58 Het XXXIX. Hooftstuk. Van de Spys-Offeren der Jooden.
- 75 Het XL. Hooftstuk. Van de Zondt-Offeren der Jooden.
- 95 Het XLI. Hooftstuk. Van't Schuldt-Offer.
- 99 Het XLII. Hooftstuk. Van het Dank-Offer.
- 100 Het XLIII. Hooftstuk. Van 't Dank-Offer van enkele Persoonen.
- 111 Het XLIV. Hooftstuk. Van de Offerhande der Eerstgeboorene.
- 121 Het XLV. Hooftstuk. Van de Beloofde, en Vrywillige Offerhanden.
- 136 Het XLVI. Hooftstuk. Van het geene Godt met de Offerhanden voor hadde.
- 153 Het XLVII. Hooftstuk. Van het Blaazen der Priesters.
- 161 Het XLVIII. Hooftstuk. Van den Priesterlyken Zeegen.
- 175 Het XLIX. Hooftstuk. Van de Wacht der Priesters.
- 176 Het L. Hooftstuk. Van de Reyniginge der Onreynen.
- 186 Het LI. Hooftstuk. Van de Melaatschheit.
- 203 Het LII. Hooftstuk. Van de roode Veerse, en't water der Afzonderinge.
- 217 Het LIII. Hooftstuk. Van de Nazireers.
- 231 Het LIV. Hooftstuk. Van de Eerstellingen.
- 236 Het LV. Hooftstuk. Van de Vrouwen, die van Overspel verdacht waren.
- 248 Het LVI. Hooftstuk. Van de Priester-Ordeningen.
- 258 Het LVII. Hooftstuk. Hoedaanig zich de Pristers omtrent het waarnemen von hunnen dienst voorzichtig moesten gedraagen.
- 262 Het LVIII. Hooftstuk. Van het geene de Pristers buyten den Tempel te doen hadden.
- 265 Het LIX Hooftstuk. Wat de Priesters omtrent eenen verslagenen te doen hadden.
- 268 Het LX. Hooftstuk. Wat de Priesters by het schatten van de Geloften te doen hadden.
- 276 Het LXI. Hooftstuk. Hoedaanig de Priesters buyten den Tempel konden leven.
- 278 Het LXII. Hooftstuk. Van de Eere der Priesters.
- 287 Het vierde Boek, Handelende van de Leviten, en derzelver verrichtingen, insgelyks van het geene zy met de Priesters omtrent den Godsdiest gemeen hadden, als meede von hun beyder Inkomsten &c.
- 287 Het Eerste Hooftstuk. Van den Oorsprong der Leviten, en der zelver Inwyinge.
- 293 Het II. Hooftstuk. Van den Dienst der Leviten, omtrent de Tente der t'Zaamenkomste.
- 301 Het III. Hooftstuk. Hoedaanig de Leviten ten tyde von David wierden gedeelt.
- 302 Het IV. Hooftstuk. Van de Levitische Speeltuygen en Zangers.
- 308 Het V. Hooftstuk. Hoedaanig en op wat wyze de Levitische Zangers hunnen dienst hebben waargenomen.
- 317 Het VI. Hooftstuk. Van de Levitische Poortiers.
- 322 Het VII. Hooftstuk. Van de Gibeoniten.
- 325 Het VIII. Hooftstuk. Van het vierde Soort der Leviten.
- 327 Het IX. Hooftstuk. Van het Leer-Ampt der Leviten.
- 342 Het X. Hooftstuk. Hoedaanig het Leer-Ampt na de Babylonische dienstbarkeit is bekleedt.
- 356 Het XI. Hooftstuk. Van de Scheuringen, die naderhandt onder de Jooden zyn ontstaan.
- 364 Het XII. Hooftstuk. Van de Sadduceen.
- 368 Het XIII. Hooftstuk. Van de Pharizeen.
- 380 Het XIV. Hooftstuk. Van de zonderlinge kleedinge der Pharizeen, en derzelver Gedenk-Ceedels.
- 394 Het XV. Hooftstuk. Van de Esseen.
- 401 Het XVI. Hooftstuk. Op de Leere der drie Secten in den Tempel wierdt geoeffent.
- 406 Het XVII. Hooftstuk. Of ten tyde van de Pharizeen, Sadduceen en Esseen, het Leer-ampt by den stam Levi is gebleven?
- 415 Het XVIII. Hooftstuk. Hoedaanig het Leeraars-Ampt in verscheyde Ampter verdeelt was.
- 427 Het XIX. Hooftstuk. Van het geene de Pristerrs en Leviten in de Leerhuyzen te doen hadden.
- 431 Het XX. Hooftstuk. Van de Predikatien in de week.
- 434 het XXI. Hooftstuk. Van de Schoolen of Synagogen der Jooden.
- 446 Het XXII. Hooftstuk. Dat de Vrouwen en Heydenen in de Synagogen der Jooden gingen.
- 449 Het XXIII. Hooftstuk. Van de Heydenen, die tot de Jooden overgingen.
- 463 Het XXIV. Hooftstuk. Van de Voordeelen der Joodengenooten.
- 471 Het XXV. Hooftstuk. Van de Vreemdelingen in de Poorte.
- 479 Het XXVI. Hooftstuk. Of de geene die in den Ban waren, in de Synagogen mogten komen.
- 483 Het XXVII. Hooftstuk. Van de Kinder-Schoolen der Hebreen.
- 486 Het XXVIII. Hooftstuk. Van de Inkomsten der Priesters en Leviten; en zonderling von derzelver Steeden.
- 494 Het XXIX. Hooftstuk. Van de Voorsteeden, en Bouwlanden der Pristeren en Leviten.
- 499 Het XXX. Hooftstuk. Van de Vrysteeden, dewelke de Priesters en Leviten bezaaten.
- 511 Het XXXI. Hooftstuk. Van de Eerstelingen, die de Pristers en Leviten kreegen.
- 518 Het XXXII. Hooftstuk. Van de Tienden.
- 527 Het XXXIII. Hooftstuk. Van de tweede Tienden.
- 531 Het XXXIV. Hooftstuk. Van de Tienden Van het derde Jaar.
- 538 Het XXXV. Hooftstuk. Hoe veel de eerste Tienden Jaarlyks bedroegen.
- 546 Het XXXVI. Hooftstuk. Of de Leviten, behalven de steeden en Tienden, meerder Inkomsten hadden.
- 549 Het XXXVII. Hooftstuk. Dat de Priesters meer Inkomsten hebben gehadt dan de andere stammen.
- 551 Het XXXVIII. Hooftstuk. Van de Vee-Tienden der Jooden.
- 556 Het XXXIX. Hooftstuk. Van de overige Inkomsten der Priesters.
- 563 Het XL. Hooftstuk. Dat de Inkomsten der Priesters en Leviten diikwyls niet voldaan zyn.
- 574 Het XLI. Hooftstuk. Van 't geene de Priesters en Leviten hebben voorgebeelt.
- 579 Het vyfde Boek, Handelende von den Openbaaren Godtsdienst der Oude Hebreen.
- 579 Het I. Hooftstuk. Van den daagelykschen Godtsdienst der Jooden.
- 596 Het II. Hooftstuk. Van den daagelykschen Godtsdienst der Jooden des Avondts.
- 603 Het III. Hooftstuk. Van de Beedestonden der Jooden.
- 607 Het IV. Hooftstuk. Van de Weekelysche Feesten der Jooden.
- 617 Het V. Hooftstuk. Wat 'er op den Sabbath in den Tempel te verrichten was.
- 630 Het VI. Hooftstuk. Van de Rust op den Sabbath.
- 638 Het VII. Hooftstuk. Van het Feest der Nieuwe Maanen.
- 646 Het VIII Hooftstuk. Hoedaanig het Feest der Nieuwe Maane by den Jooden wierd geviert.
- 654 Het IX. Hooftstuk. Van de Jaarlysche hooge Feesten der Jooden in 't algemeenen.
- 660 Het X. Hooftstuk. Van het Paasch-Feest der Jooden.
- 670 Het XI. Hooftstuk. Van 't Paasch-lam der Jooden.
- 681 Het XII. Hooftstuk. Van den dag der Voorbereidinge tot Paaschen by den Jooden, en wat 'er op den zelven geschiedde.
- 694 Het XIII. Hooftstuk. Hoedaanig het Paasch-lam wierdt gebraaden en gegeeten.
- 708 Het XIV. Hooftstuk. Van 't Avondt-Maal, door Christus ingezet, en wat het Paasch-lam heeft voorgebeelt.
- 718 Het XV. Hooftstuk. Van de overige viering van 't Paasch-Fest.
- 736 Het XVI. Hooftstuk. Van het Pinxter-feest der Jooden.
- 745 Het XVII. Hooftstuk. Van het Feest der Trompetten.
- 752 Het XVIII. Hooftstuk. Van het Verzoen-Feest der Jooden.
- 757 Het XIX. Hooftstuk. Hoedaanig het Verzoen-feest by den Jooden wierdt geviert.
- 765 Het XX. Hooftstuk. Van den Bok, die op het Verzoen-feest moeste wechgaan.
- 770 Het XXI. Hooftstuk. Van het geene de Hooge-Priester verder op het Voerzoen-feest Verrichtede.
- 775 Het XXII. Hooftstuk. Hoedanig dese dag heeft moeten geviert worden.
- 780 Het XXIII. Hooftstuk. Wat het Verzoen-feest heeft afgebeelt.
- 787 Het XXIV. Hooftstuk. Van het Feest der Loof-hutten.
- 794 Het XXV. Hooftstuk. Hoedaanig het Feest der Loof-hutten wierdt geviert.
- 802 Het XXVI. Hooftstuk. Hoedanig het Loof-hutten Feest verder wierdt geviert.
- 807 Het XXVII. Hooftstuk. Hoedanig het Feest der Loof-hutten wierdt geviert, en eyndelyk beslooten.
- 815 Het XXVIII. Hooftstuk. Van de andere Feesten, die na de Wederkomste uyt Babel zyn opgekomen.
- 823 Het XXIX. Hooftsstuk. Van het Jaar der Vrylaatinge, Rust-Jaar.
- 830 Het XXX. Hooftstuk. Van het geene de Jooden omtrent het Jaar der vrylaatinge verder waarnamen.
- 837 Het XXXI. Hooftstuk. Tot Wat eynde Godt het Rust-Jaar hadde ingezet.
- 841 Het XXXII. Hooftstuk. Van 't Jubel-Jaar der Joden.
- 845 Het XXXIII. Hooftstuk. Wat de Jooden verder omtrent de Jubel-Jaaren hebben waargenommen.
- 848 Het XXXIV. Hooftstuk. Van het geen 'er verder omtrent het Jubel-Jaar wierdt waargenomen, en dat alles op Christus heeft gedoelt.
- Register, Der voornaamste Zaaken en stoffen, in dit Tweede Deel verhandelt.
- PDF [Ohne Titel]
- Title page
- Stamp
- Den Leeser, Die de waarheid, gelyk die in Jesus is, lief heeft, zy Genade en Vrede vermenigvuldigt!
- Voorreden van Gerardus Out Hof.
- Voorreeden van den Schryver.
- Het erste Boek, Handelende von de Tente der t'Zaamenkomste, der zelver opregting, Gereedschappen en verplaatzing, zoo wel in de Woestyne, als in het Land Canaan; en waar dezelve eindelyk gebleven is, enz.
- Het ertste Hooftstuk. Van de Tente der t'Zaamenkomste.
- 4 Het II. Hooftstuk. Waar uit de Tente der t'Zaamenkomste gemaakt was.
- 12 Het III. Hooftstuk. Van het erste Deksel der Tente der t'Zaamenkomste, en derzever Verwe.
- 20 Het IV. Hooftstuk. Van de Cherubim, die in de Deksels geweven waren.
- 28 Het V. Hooftstuk. Van de Hyren Gordyn.
- 35 Het VI. Hooftstuck. Van't Heyige, en van't Heylige der Heyligen, als ook van derzelver Voorhangen.
- 39 Het VII. Hooftstuk. Van den Voorhof rontom de Tente.
- 45 Het VIII. Hooftstuk. Van het Heylige der Heyiligen.
- 47 Het IX. Hooftstuk. Van de Arke des Verbondts, die in't Heylige der Heyligen was.
- 56 Het X. Hooftstuk. Van de Wolken-colomne.
- 67 Het XI. Hooftstuk. Van de Historie der Wolken-colomne.
- 75 Het XII. Hooftstuk. Hoedaanig het met de Wolken-colomne verder Gegaan is.
- 85 Het XIII. Hooftstuk. Van de Arke des Verbondts.
- 96 Het XIV. Hooftstuk. Van de Wolke
- 108 Het XV. Hooftstuk. Van het geen'er in de Arke des Verbondts was.
- 120 Het XVI. Hooftstuk. Van het Wet-Boek het geen'er by de Arke des Verbondts bewaart wierdt.
- 125 Het XIVVl. Hooftstuk. Van het Manna, dat by de Arke bewaart wierdt.
- 131 Het XVIII. Hooftstuk. Van den Staf Aarons, die by de Arke is geweest.
- 139 Het XIX, Hooftstuk. Van de By-Arke, met de Kleynodien der Philistynen.
- 146 Het XX. Hooftstuk. Of de Zalf-Olie, en het Wierook-Vat in't Heylige der Heyligen zyn gweest.
- 154 Het XXI. Hooftstuk. Van de Heerlykheit der Arke des Verbondts.
- 162 Het XXII. Hooftstuk. Hoedaanig de Arke des Verbondts, het Manna, en de Staf Aarons, Christus hebben afgebeelt.
- 173 Het XXIII. Hooftstuk. Van den Kandelaar, die in't Heylige gestaan heeft.
- 184 Het XXIV. Hooftstuk. Van de Tafel der Toon-Brooden.
- 201 Het XXV. Hooftstuk. Van den Reuk-Altaar, die in't Heylige heeft gestaan.
- 206 Het XXVI. Hooftstuk. Van't Reuk-Pulver, dat in't Heylige Verbrandt wierdt.
- 217 Het XXVII. Hooftstuk. Van het Reuk-Pulver.
- 227 Het XXVIII. Hooftstuk. Van de Zalf-Olie, en het Boek, die in't Heylige waren.
- 240 Het XXIX. Hooftstuk. Of de Zalf-Olie in den tweeden Tempel is geweest.
- 253 Het XXXI. Hooftstuk. Van het Voorhof der Tente der t'Zaamenkonste, en wie daar binnen mogte komen.
- 261 Het XXXII. Hooftstuk. Van den Brandt-Offer Altaar.
- 264 Het XXXIII. Hooftstuk. Van de Gedeeltens des Brandt-Offer Altaars.
- 279 Het XXXIV. Hooftstuk. Van het Vuur des Altaars.
- 292 Het XXXV. Hooftstuk. Van de Gereedtschappen, die by den Altaar gebruykt wierden.
- 307 Het XXXVI. Hooftstuk. Waar de Tente der t'Zaamenkomste gemaakt wierdt.
- 322 Het XXXVII. Hooftstuk. Van het geen'er by de Oprichting van de Tente der t'Zaamenkomste geschiedt is.
- 330 Het XXXVIII. Hooftstuk. Van de Plaatse der Tente der t'Zaamenkomste in het Leeger.
- 341 Het XXXIX. Hooftstuk. Hoedaanig by de Tente der t'Zaamenkomste de Godtsdienst wierdt verricht.
- 348 Het XL. Hooftstuk. Waar de Arke des Verbondts in Canaan heeft rontom gezworven.
- 361 Het XLI. Hooftstuk. Hoedaanig de Tente der t'Zaamenkomste en de Arke des Verbondts gescheyden waren.
- 366 Het tweede Boek, Handelende von den Tempel, zoo wel van den eersten, als van den tweeden, en desselfs toebehooren.
- 366 Het erste Hooftstuk. Wie den Tempel te Jeruzalem gebouwt heeft.
- 370 Het II. Hooftstuk. Van de Plaatse des Tempels.
- 378 Het III. Hooftstuk. Van de Bouw-lieden, 't Hout, de Steenen, en andere Materiaalen, die tot den Tempel quamen.
- 388 Het IV. Hooftstuk. Van de Gestalte des Tempels.
- 393 Het V. Hooftstuk. Van des Tempels Muuren, Gedeeltens en Ellen.
- 395 Het VI. Hooftstuk. Van't Heylige der Heyligen, en de Dingen die daarin zyn geweest.
- 411 Het VII. Hooftstuk. Van't Heylige, en de Dingen die daar in zyn geweest.
- 424 Het VIII. Hooftstuk. Van't Voorhuys en de Opper-Zaale des Tempels.
- 431 Het IX. Hooftstuk. Van het Dak, Boven't Heylige der Heyligen en't Heylige.
- 433 Het X. Hooftstuk. Van de Vertrekken aan't Heylige en aan't Heylige der Heyligen.
- 440 Het XI. Hooftstuk. Van het Voorhuys aan't Heylige.
- 451 Het XII. Hooftstuk. Van de uyterlyke Gestalte van het Voorhuys, en van de twee Pilaaren die daar voor stonden.
- 462 Het XIII. Hooftstuk. Van het binnenste Voorhof.
- 470 Het XIV. Hooftstuk. Van de Kopere Zee.
- 475 Het XV. Hooftstuk. Van de Kopere Wasch-vaten.
- 480 Het XVI. Hooftstuk. Van den Brandt-Offer Altaar.
- 494 Het XVII. Hooftstuk. Van de Slacht-plaatse.
- 499 Het XVIII. Hooftstuk. Van't byzondere Voorhof der Priesteren.
- 502 Het XIX. Hooftstuk. Van het Voorhof Israels.
- 505 Het XX. Hooftstuk. Van het binnenste Voorhof, en desselfs Poorten.
- 508 Het XXXI Hooftstuk. Van de Gebouwen, die in den Tempel waren, als die Vergader-Plaats van de Opperste Vierschaar, de Radt-Kamer, de Hout-Kamer, en de Poorten.
- 518 Het XXII. Hooftstuk. Van de Vertrekken en Poorten aan de Noordtzyde.
- 526 Het XXIII. Hooftstuk. Van de Vertrekken en Poorten aan de Oost-zyde.
- 533 Het XXIV. Hooftstuk. Van het buytenste Voorhof, en de Vertrekken die daarin gebouwt waren.
- 543 Het XXV. Hooftstuk. Van het geen'er in en by het Voorhof der Vrouwen was.
- 555 Het XXVI. Hooftstuk. Van de Scheyde-Wandt der beyde Voorhoven.
- 557 Het XXVII. Hooftstuk. Van het Voorhof der Heydenen, en desselfs Poorten.
- 571 Het XXVIII. Hooftsstuk. Van de Plaatsen, die rontom den Tempel waren.
- 576 Het XXIX. Hooftstuk. Van de Eerbiedigheit, die men omtrent den Tempel betoonde.
- 590 Het XXX. Hooftstuk. Van het Onderscheydt tusschen desen, en den tweeden Tempel.
- 598 Het XXXI. Hooftstuk. Van de Inwying en Verstooringe des eersten Tempels.
- 603 Het XXXII. Hooftstuk. Van het Bouwen des tweeden Tempels, en deszelfs Verbeeteringe door Herodes.
- 613 Het XXXIII. Hoftstuk. Van de Verontreyinginge en laatste Verstooringe van den tweeden Tempel.
- 619 Het XXXIV. Hooftstuk. Van de vergeefsche Pooginge der Jooden, om den derden Tempel te bouwen.
- 625 Het derde Boek, Handelende, van des Hoogen-Preisters Kleedinge, Zalvinge, Bedieninge, Aanzien in't Gerichte, Houwelyk, Opvolginge, Voorbeeldinge &c.
- 625 Het Eerste Hooftstuk. Aan wien het bedienen van het Levitische Pristerdom van Godt bevoolen is.
- 628 Het II. Hooftstuk. Van de eygentlyke Beteekenisse der Priesters, en hoedaanig Aaron in zyn Pristerdom op't Krachtigste is bevestigt geworden.
- 635 Het III. Hoftstuk. Van de verscheyde Ordeningen der Priesters, voornamentlyk van den Hoogen-Priester.
- 639 Het IV. Hooftstuk. Van de Hooge-Priesterlyke en Priesterlyke Kleederen.
- 645 Het V. Hooftstuk. Van de byzondere Kleederen des Hoogen-Priesters.
- 656 Het VI. Hooftstuk. Van den Urim en Thummim.
- 673 Het VII. Hofftstuk. Van't Hooft-Cieraadt des Hoogen-Priesters.
- 677 Het VIII. Hooftstuk. Van de Prachtigheit der Hooge-Priesterlyke Kleederen.
- 685 Het IX. Hooftstuk. Van de Zalvinge, en het Wy-offer van den Hoogen-Priester.
- 691 Het X. Hooftstuk. Van't Ampt des Hoogen-Priesters.
- 693 Het XI. Hooftstuk. Van de Aanzienlykheit des Hoogen-Priesters.
- 699 Het XII. Hooftstuk. Van de Aanzienlykeit des Hoogen-Priesters in die Opperste Vierschaar.
- 707 Het XIII. Hooftstuk. Van de Opperste Vierschaar der Jooden.
- 716 Het XIV. Hooftstuk. Hoedaanig de Leeden in deze Opperste Vierschaar hebben gezeeten.
- 719 Het XV. Hooftstuk. Van de Hals-Straffen der Jooden.
- 729 Het XVI. Hooftstuk. Van de Aanzienlykheit der Opperste Vierschaar.
- 733 Het XVII. Hooftstuk. Van de Opperste Vierschar, na de Babylonische Gevangenisse.
- 739 Het XVIII. Hooftstuk. Van de Middelste Rechtbank der Jooden.
- 746 Het XIX. Hooftsuk. Van't Houwelyk des Hoogen-Priesters
- 751 Het XX. Hooftstuk. Hoedaanig zich de Hooge-Prister omtrent eenen Dooden moeste gedraagen.
- 755 Het XXI. Hooftstuk. Van de Opvolging des Hoogen-Priesters.
- 757 Het XXII. Hooftstuk. Van der Hoogen-Priesteren Opvolgers.
- 763 Het XXIII. Hooftstuk. Van de Hooge-Priesters in den eersten en tweeden Tempel.
- 772 Het XXIV. Hooftstuk. Van de Hasmonëen, en derzelver Navolgers.
- 791 Het XXV. Hoftstuk. Wat de Hooge-Priesters hebben voorgebeelt.
- 804 Het XXVI. Hooftstuk. Van den Krygs-Gezalfden, Steedehouder, en anders Ampts-Bedienden
- 818 Het XXVII. Hooftstuk. Van de Gemeene Priesters.
- 825 Het XXVIII. Hooftstuk. Van het Priester-Ampt.
- 836 Het XXIX. Hooftstuk. Van het geene de Priesters in de Tente der t'Zaamenkomste, of in den Tempel, en in 't Byzonder omtrent den Kandelaar te doen hadden.
- 839 Het XXX. Hooftstuk. Van het geene de Pristers, in de Tente de t'Zaamenkomste of in den Tempel by den Reuk-Altaar te doen hadden.
- 846 Het XXXI. Hooftstuk. Van het geene de Priesters in de Tente der t'Zaamenkomste, of in den Tempel, omtrrent de Taafel der Toonbrooden te doen hadden.
- Register. Der voornaamste zaaken en stoffen, in dit Eerste Deel verhandelt.
