4

Derde les.

Hij, het.

Hem, het.

Niet.

Ik heb niet.

Ik heb hem niet.

Neen.

Neen, mijnheer.

Hebt gij de tafel?

Neen, mijnheer, ik heb haar niet. De steen.

Het laken.

Het hont.

Het leder.

Het goud.

Het zilver.

Dritter Abschnitt.

Mannei. Onzijd.

Nom. er, es.

Acc. ihn, es.

Nicht.

Ich habe nicht.

Ich habe ihn nicht.

Nein.

Nein, mein Herr.

Haben Sie den Tisch?

Nein, mein Herr, ich habe ihn nicht. Der Stein.

Das Tuch.

Das Holz.

Das Leder.

Das Gold.

Das Silber.

Aanm. Om uit zelfstandige naamwoorden, die eene stof aanduiden, bijvoegelijke naamwoorden te vormen, hangt men er de uitgangen n, en, ern aan; deze Stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden zijn echter niet als de holland- sche op en onveranderlijk, maar worden verbogen als de andere bijvoegelijke naamwoorden.

Van.

Gouden, van goud, looden, van lood, steenen, van steen, honten, van hont, lakensch, van laken, papieren, van papier,

Aardig, bevallig,

Hebt gij den papieren boed? Ik heb hem niet.

De honten tafel.

Het steenen paard.

Het kleed.

De jas.

De lakensche jas.

Het paard.

De hond, den hond. *j De schoen.

Von.

olden, von Gold; leiern, von Blei; steinern, von Stein; hölzern, von Holz; tuchen, von Tuch; papieren, von Papier; artig, anmuthig.

Haben Sie den papierenen Hut? Ich habe ihn nicht.

Der hölzerne Tisch.

Das steinerne Pferd.

Das Kleid.

Der Rock, den Rock.

Den tuchenen Rock.

Das Pferd.

Der Hund, den Hund.

Der Schuh.