4

DE BEER.

begin ran Jnlij invalt, bij hem komt, en als zij ontvangen heeft, naar haar verborgen ver­blijf wederkeert. Jonge wijfjes werpen maar een jong , oudere twee of drie. Zij dragenzes maanden en zuigen de jongen ook zoo lang , dewijl deze zeer zwak en klein ter wereld ko­men. Zij leeren hun reeds vroeg op de hoo­rnen klimmen , om zich voor de jagers te ver­bergen , ook wel, om den omtrek te kun­nen rondzien. Het eerste schijnt het geval te bevestigen, dat, toen een jager in het jaar 1787 cene Beerin in Zwitserland ge­schoten had, hij op eenen nabij staanden pijnboom geruisch hoorde en op denzelven twee jonge Beeren zag , die hij ook neder- schoot.

In den zomer dwaal t de Beer eenzaam rond, en zoekt zich iets tot voedsel te verschaffen. Zoodra er sneeuw valt, legt hij zich te rusten, tot dat dezelve weder w egdooit. Oude Beeren blijven in dien tijd ook wel in de openlucht,