DE BEER.
5
maar do jongen maken zich , in cene , voor het slechte weder, beschutte plaats een bed van mos en loof. In dezen tijd gebruikt de Beer geen voedsel en verhongert ook niet. Somtijds gaat hij echter naar de armoedige hutten ran Poolsche en Litthausche boeren , klimt op het dak en maakt er een gat in, om voor zich iels tot voedsel te zoeken. Van Junij tot aan den herfst is de Beer zeer vet; in het voorjaar is hij zeer mager, en wordt hij in dezen tijd gedood, dan vindt men in zijne maag en darmen een drabbig slijm.
Men jaagt de Beeren niet alleen wegens hunne roofzucht, maar ook om hun vel, vet en vleesch. Het laatste wordt in het noordelijk Azië deels gekookt en deels gezouten gegeten. Het vel dient tot bedden . dekens, mutsen , handschoenen en halsbanden voor de honden , die de sleden trekken; de schouderbladen tot zeissen om het
II. 2

