4 .

£)e ïranlümr* $o oïr.

De Bojaar bajowits was voor zijne boeren of lijfeigenen steeds een goed heer geweest, zoodat zijn rampzalig lot door vele opregtelijk betreurd werd; dit echter was in het bijzon­der het geval bij den grijzen miciiel, die den Bojaar als kind gekend en vele weldaden van hem genoten had. Op zekeren dag, dat deze oude Rus vóór zijne schamele hut bezig was eenig brandhout te kloven, trad een Jood, in eene Poolsche pels gekleed, op hem toe, met de vraag, of hij hem ook eenige inlichting kon geven wegens het tegenwoordig verblijf van den Bojaar bajowits?

«Wat gaat u dit aan!» zeide de Rus on-