derd te zijn, en om eene schuilplaats en een nachtverblijf verzocht. Het uiterlijke van den man logenstrafte zijn verhaal niet, daar de roovers den ongelukkige niets dan het hemd hadden overgelaten, tot deksel tegen de felle en doordringende koude. De Oostersche herbergzaamheid was toenmaals bij de Moscovi- ters nog zeer in zwang, en alzoo wijfelde de poortwachter geen oogenblik, den vreemdeling zijn verzoek toe te staan. «Nooit,» zeide hij , «heeft een vreemdeling bij den Bojaar bajowits te vergeefs om huisvesting verzocht, noch de ellendige vruchteloos zijne hulp ingeroepen. Volg mij slechts! het zal u hier aan niets ontbreken, en wij zullen trachten de ramp, die u getroffen heeft, te lenigen.»
De vreemdeling, die van koude klappertandde , stamelde eenige voor den poortwachter onverstaanbare woorden van dank en volgde
hem door eenen langen verwulfden gang, totdat zij aan een groot verwulfd vertrek kwamen , alwaar onder den wijden schoorsteen een helder knappend vuur brandde, om hetwelk, op ruw houten banken, eenige Russen gezeten waren, bedienden of liever lijfeigenen van den Bojaar.

