«Ihj St. Andrtts /» herhaalde de portier met dreigenden blik, «uw schelmengelaat verraadt u : gij zijt een Jood!»
«Ja,» sprak thans de vreemdeling, andermaal een’ diep opgeliaalden en smartelijken zucht lozende, willende óf zijn geloof niet verzaken , óf overtuigd zijnde, dat eene ontkenning hier van weinig baat zoude wezen. «Ja, ik behoor tot deze zwervende en diep vernederde natie; maar ofschoon ik met u in geloof verschil, zoo is toch God onzer aller Vader; ontfermt u dan over eenen ongelukkige , laat mij slechts voor dezen éénen nacht hier eene schuilplaats vinden, opdat ik bij dit vreeselijke weder niet van koude moge verkleumen, en de Heer, de Algoede, die barmhartigheid uitoefent over al Zijne schepselen, zal het u loonen ?»
«Neen, neen !» riepen allen als te gelijk en met dreigende gebaren; «wij v illen niets gemeens met u hebben; pak u voort! en dank het uwe gelukster, indien gij met ongeschon- dene leden dit huis verlaat, dat gij door uwe tegenwoordigheid hebt ontreinigd !»
«Zijn dan uwe harten harder dan steen, dat i gij u door mijn sineeken niet zoudet laten

