t

6

vermurwen ?» sprak de Jood, zich op de * knieën werpende, terwijl hij de zamengevou- wen handen smeekend tot hen ophief. «Indien gij mij nu weder buiten stoot, bijna naakt , gelijk gij mij ziet, is immers mijn dood on­vermijdelijk ! Ontferming! ontferming voor eenen ongelukkige!»

«Pak u weg!» schreeuwde de poortwachter,

Wiens menschenliefde, nu hij wist eenen Jood voor zich te hebben, voor haat en verbitte­ring had plaats gemaakt; «mijne handen wil ik niet verontreinigen, met u de deur uit te werpen, W'elke ik, St. Andries vergeve mij het kwaad! nimmer voor u had moeten ont­sluiten. Maar pak u voort! of deze zweep zal u den weg wijzen!»

Diep zuchtende en den met tranen gevulden blik ten hemel vestigende, was de arme Jood , als overtuigd, dat noch smeekingen, noch verzet hier konden baten, gereed zich aan dit wreede dwangbevel te onderwerpen, toen de poortwachter plotseling de reeds opgehevene zweep zakken liet, en al de Russen in eer­biedige houding en met bijna ter aarde gebo- gene hoofden terugtraden. Want in hun midden stond de Bojaar, die, een zoo onge-