o

breken, en gij kunt blijven, zoo lang uw toestand zulks zal vereischen.»

«God moge het u loonen, genadige Heer!» sprak de Jood, terwijl tranen van vreugde en dankgevoel hem langs het gelaat biggelden.

«Ik verlang geenen dank,» hernam de Bo­jaar. «Nooit heeft een bajowits de pligten der gastvrijheid geschonden. Gij zijt een mensch , een ongelukkige, en hebt alzoo aan­spraak op mijne hulp.» .

Dit gezegd hebbende, bestrafte de Bojaar zijne van vrees sidderende bedienden, en gaf last, den Jood als zijnen gast te eerbiedigen en te behandelen en hem van kleederen en voedsel te voorzien, met bedreigingen van zijne ongenade, indien daaraan iets mogt ont­breken.

Ofschoon, gelijk toen de meeste Moscovi- ters , ruw van inborst, ontbrak het nogtans , gelijk ons reeds gebleken is, den Bojaar niet aan gevoel van menschelijkheid, en hij deed den Jood, die door het geleden ongemak en doorgestanen schrik in eene ernstige ziekte stortte, op het zorgvuldigste verplegen en op- passen. «God,» dacht de Bojaar, «heeft dezen man in mijn kasteel eene schuilplaats doen