8

Was, daar hij zich anders wel gewacht zoude hebben een dergelijk gruwel te bestaan.

«Zijt gij een Israëliet?» vroeg nu de Bojaar, zich tot den Jood wendende.

«Ja, genadige Heer!» sprak de ongelukkige. «Mij voor handelszaken naar Moskou op weg bevindende, werd ik in de nabijheid van uw kasteel door eenige Tartaarsche roovers over­vallen en uitgeplunderd. V erkleumd van koude en den dood voor oogen hebbende, verstoutte ik mij hier om een nachtverblijf te verzoeken. Zulks werd mij toegestaan, en ik dankte God voor dien onverhoopten zegen. Doch, helaas! zoodra ontdekte men niet, tot welke natie ik behoorde, of uwe bedienden wilden mij dwin­gen , onder de sterkste bedreigingen, deze wijkplaats weder te verlaten. O, mogt ik hopen,» vervolgde de ongelukkige, zich op de knieën stortende, «bij u,.genadige Heer ! een meêdoogend hart en ontferming te vin­den ! Slechts voor dezen éénen nacht bid ik u om eene schuilplaats?»

«Gij zijt nu eenmaal onder mijn dak,» sprak de Bojaar, hem bevelende op te staan, «en de gastvrijheid is mij heilig. Of gij Jood of Christen zijt, het zal u hier aan niets ont-