gehechte Russen, tot eenen staat ook maar van uiterlijke beschaving te brengen. De schoonste en welmeenendste bedoelingen van peter werden slechts door zeer weinigen begrepen en vonden bij vele zijner onderdanen eene hardnekkige tegenwerking. Daar nu de Czaar de man niet was, om, waar hij eenmaal het voorwaarts had uitgesproken, weder achteruit te trekken, moest zulks noodwendig tusschen dezen Vorst en sommige zijner onderdanen nu en dan tot hevige botsingen aanleiding geven. Doch hoe zonderling het ook moge luiden, nergens vond hij grooteren tegenstand in, dan om zijne Kneesen, Bojaren en Waiwoden aan de Europesche kleederdragt te gewennen en hen de baarden te doen afleggen, waarin de Rus eene soort van heiligheid stelde. Wel onderwierpen zich sommigen vrijwillig aan het keizerlijk bevel, om daardoor in de gunst van den Monarch te stijgen, terwijl anderen uit vrees gehoorzaamden; doch velen waren in deze zaak, welke hun hoogst onbillijk en onteerend dacht te zijn, slechts door geweld tot onderwerping te brengen. Peter wist nogtans tot alles raad, indien een Bojaar of andere groote hem te lang weiger-

