20
bajowits deze blijk van ouderliefde zijner kinderen , die hij met wezentlijke vaderlijke tee- derheid beminde. «Neen, neen!» riep hij , do handen als wanhopig voor het gelaat slaande, «vergeet eenen rampzaligen vader, door wiens schuld ook gij u tot jammer gedoemd en van uw erfgoed verstoken ziet! Uwe tranen breken mij het hart; maar nooit zal ik gedoogen, dat gij in de ellende mijner ballingschap zult deelen! Bij uwe tante van moederszijde zult gij hulp en troost vinden; zij is ongehuwd en rijk, en zij zal de kinderen van hare eenige, thans overledene zuster gewis met liefde ontvangen.»
Te vergeefs herhaalden alexander en fedra hunne kinderlijke beden; hunne tranen en smeekingen, hoezeer zij ook den Bojaar troffen , konden hem niet bewegen, hen in al de ellenden, aan eene ballingschap in Siberië verbonden, te doen deelen. Daarenboven verklaarde de officier, geene volmagt te hebben, om zulks toe te staan, zoodat zij, hoe groot ook hunne smart was, hunnen geliefden vader moesten laten vertrekken, zonder hunnen ouderlievenden wensch vervuld te zien.
De Bojaar inoest zich echter uit hunne armen

