19
den ouden Moscovischen Adel te dwingen, zich in alles naar zijne luimen te voegen, heeft mij daartoe verleid. Doch hoezeer verbitterd wegens de mij op last des Czaars aangedane be- leediging, betuig ik u voor God, nimmer naar het bloed des Monarchs gedorst te hebben, en dat mij van eenen aanslag tegen zijn leven niets bewust is.»
(dk zal deze uwe belijdenis,» zeidc de officier, «ter kennisse van den Czaar brengen, dit beloof ik u als man van eer! Doch voor dezen oogenblik kan ik slechts aan het keizerlijk bevel gehoorzamen. Zijt gij gereed?»
«En mijne kinderen?» sprak de Bojaar, «wat zal van deze ongelukkigen, thans van hun vaderlijk erfdeel beroofd, worden? Ik ben schuldig, deze zijn het niet!»
«Ik zal u vergezellen, vader!» riep alexan- der , een twaalijarige knaap , met fonkelenden blik; «waar gij ook rnoogt heengaan, al ware het aan het einde der aarde, het zal er mij wél zijn!»
«En ook ik ga met u, lieve vader!» sprak de twee jaren jongere fedra , zich schreijende aan den Bojaar vastklemmende.
Dieper dan zijne ballingschap zelve, trof
2 *

