32

«Vader abraham ! en hij was een zoo edel en braaf menscli, dat mij dacht, de Czaar er geen beter in geheel zijn rijk had!»

«Dit zegt gij te regt,» hernam de Rus, die, zijnen lieer hoorende prijzen, allengskens zijne vorige stuursheid aflegde. «Ik zoude door vuur en water voor hem geloopen zijn, en honderden met mij ; maar wat hielp het: tegen het .krijgsvolk van den Czaar konden wij , arme boeren, hem niet beschermen. Men zegt, dat hij in een komplot tegen het leven van den Czaar zoude gedeeld hebben. Maar,» vervolgde hij, verachtelijk met den vinger knippende, «ik geloof er zie dat niet van! en houd het voor boozen laster.»

«En zijne kinderen?» vroeg de Jood snel. Die bevinden zich bij hunne tante te Mos­kou ; ik zelf heb hen, op bevel van mijnen goeden Heer, derwaarts begeleid. Ach! die lieve kinderen!» vervolgde de oude Rus, tot sclireijens toe aangedaan, ((den geheelen weg over spraken zij van niets dan van hunnen vader. Zij zouden hem gaarne naar Siberië vergezeld hebben; maar de Bojaar verlangde zulks niet, en ook de Czaar moet het niet gewild hebben. Ik smeekte de Bojariin op