SS

mijne knieën, daar te mogen blijven, om mijnen jongen meester en mijne meesteres te dienen; doch zij stond mij niet eens te woord, en deed door hare bedienden den ouden ïiichel het gat van de deur wijzen, dat mijn goede Heer nog nooit gedaan heeft. Zie, dit viel mij wel hard; maar wat zoude ik, oude man, doen, ik moest wel gaan, en keerde met een bedrukt hart naar mijne eenzame stulp terug.»

«En de goederen van uwen Heer werden waarschijnlijk verbeurd verklaard?»

«Helaas ja! wij zijn thans kroonboeren; niet dat wij het zoo slecht hebben , dan zoude ik den Czaar onregt doen; maar toch, zie! een Meester als den Bojaar kon hij mij niet weder­geven.»

«En is de Bojarin rijk?»

«Zij is hofdame bij de Czarin, en bewoont te Moskou een prachtig paleis.»

«Zij zullen alzoo mijne hulp niet behoeven,» mompelde de Jood half binnensmonds.

«Uwe hulp?» vroeg de Rus verwonderd.

«Ja; ik heb u gezegd met den Bojaar nog eene oude schuld te moeten vereffenen ; hadden zij nu hulp benoodigd gehad , zoo wilde ik zulks aan zijne kinderen vergolden hebben ; en ., ,»

a