schap, door mijne schuld ziet gij u van uw regtmatig erfdeel beroofd.»
«Maar, vader!»
«Laat mij spreken, mijn zoon! door uwen betoonden moed en uw braaf gedrag , hadt gij de gunst des Czaars verworven; gij waart alzoo op den w eg om uw lot en dat van uwe zuster te kunnen verbeteren, en dit zoude mij van groote troost zijn geweest; want hoe lief mij ook uw bijzijn is, thans zal mij steeds het zelfverwijt kwellen, dat ik u van uw geluk heb afgehouden, en als ware het, de eerste oorzaak ben geweest, dat gij ook welligt uw jeugdig leven in ballingschap en ellende zult moeten eindigen.»
«Neen, neen, vader!» riep de jongeling, de hand des Bojaars met warmte drukkende, «deze mijne ballingschap strekt mij niet tot straf, zij is mij wenschelijk! Nooit zalikvrij-
86
met vuur; «maar hoe konde ik met het eere- metaal op mijne borst prijken , terw ijl gij , mijn vader! hier tot eene smadelijke ballingschap gedoemd zijt ?»
»Uw ouderlievend gevoel heeft u hier misleid , mijn zoon!» zeide de Bojaar aangedaan. »Door mijne schuld bevind ik mij in balling

