34 DE TIJGER.

te worden. In den tusschentijd kreeg de teef jongen , en moest dus eenige dagen af­wezig zijn. Over deze verwijdering scheen de Tijger zeer ontevreden en mismoedig , en werd zulks telkens op nieuw, als de teef weg ging om hare jongen te laten zui­gen. Na eene afwezigheid van meer dan twee jaren, kwam eens de scheepstimmer­man , met wien de Tijger de zeereis ge­daan had, bij denzelven. Het dier herkende hem terstond en gaf zijne vreugde daar­door te kennen, dat hij bij de traliën van zijn hok op en neder ging, en zich aan dezelven streek.

De timmerman verlangde, niet tegen­staande, alle tegenwerpingen, in het hok van den Tijger gelaten te worden, en nu toonde dit dier de levendigste vreugde. Het streek zich aan hem, likte hem de handen, en lief­koosde hem als eene kat, zonder de minste verstoordheid te doen zien. De man bleef