36 DE TIJGER.

Na verloop van eenigen lijd kreeg de teef vijf jongen , en deze bleven onbeschadigd in eenen boek van bet hok , en de Tijgerin toonde , door de buitengemeene voorzigtig- heid , waarmede zij de jonge honden weg­schoof, dat zij geen voornemen bad, om deze dieren leed te doen. Eenigen tijd daarna,hadden deze zich ongelukkiglijk uit het hok verwijderd, en waren te digt bij eene andere Tijgerin gekomen, welke hen niet zoo vriendelijk behandelde, maar opat.

De jagt op deze dieren behoort tot de vermaken van oostindische vorsten , welke dezelve deels met een talrijk gevolg, deels alleen ondernemen.In het laatste geval, zijn zij met eenen wapenrok of slechts met een schild, met twee dolken, en eenen korten sabel gewapend, en zoo vechten zij tegen deze bloeddorstige dieren, met eene ver­metelheid , die geene andere uitkomst heeft, dan overwinnen of sterven.