een geesel voor liet land , dat zij bewonen , en het weinige goed , dat zij door het vertee- ren van aas en onbegraven lijken te weeg brengen, wordt door de aanmerkelijke
4
in.
DE HIJËNA.
PLAAT III.
Op het eerste gezigt van dit dier bemerkt men terstond, dat boosheid de hoofdtrek van deszelfs karakter is , en bij eene nadere kennismaking met hetzelve ziet men ook , dat men zich niet bedrogen beeft.Zijn moed is ook gelijk aan zijne woestheid, en een eenige Hijëna verweert zich dikmaals tegen dieren van eene andere soort, die ongelijk veel sterker zijn dan hij; hij valt zelfs wel den panter aan. In het algemeen zijn deze dieren

