4o DE HIJËNA.

De Hijënas belmoren tot die dieren, welke het minst getemd kunnen worden. Als zij zeer jong gevangen worden, laten zij zich al­leen tam maken ; de ouden in tegendeel zijn in het geheel niet te behandelen. In Engeland had men eenen Hijëna van bijna zes maan­den , die zoo mak was, dat men denzelven vrij in de zaal kon rond laten loopen. Hij speelde graag met alle honden, die hij hem kwamen, en liet zich door vreemde perso­nen met de hand streelen, zonder boos te worden. Met toenemende jaren werd hij echter minder geduldig , en moest eindelijk toch opgesloten worden. Een andere Hijëna was ook zoo tam, dat hij zich liet streelen. Naden dood van den eigenaarwerd hij aan iemand verkocht, die met vreemde dieren rond reisde , en bleef nog altoos ge­duldig , tot dat hij in een hok moest gaan en voortgetrokken zou worden, waardoor hij even zoo wild werd, als een pas gevangen