DE WOLF. 43
hij slechts bij toeval of geduldig en dikmaals vergeefsch wachten, betrapt.
Van natuur is hij ongezellig en bang; de nood maakt hem echter listig en stout, en dan trotseert hij alle gevaar. Hij valt alle huisdieren aan , inzonderheid dezulken, die hij gemakkelijk kan voortslepen, zoo als schapen, lammeren, geiten, zwijnen, kalveren en zelfs honden, en verscheurt dezel- ven. Ook grootere dieren , zoo als paarden en ossen schieten dikmaals te kort voor de vereenigde krachten van verscheidene Wolvenen als zij eens mensclienvleesch geproefd hebben, dan zoeken zij daarna hunnen vraatzuchtigen eetlust met hetzelve te voldoen , en verkiezen dan zelfs den herder boven zijne kudde. In weerwil van deze vraatzucht , welke den Wolf aanspoort om in honger zijns gelijken te verteren, of uit gebrek aan dit vleesch zijne maag met drek of aarde te vullen, blijft hij evenwel ten

