5o DE WOLF.

verstrooid was, kroop hij nog eens in hel hol en hield de Wolvin eene brandende fak­kel aan den bek; toen hij zag dat zij dood was, vatte hij haar bij de ooren, schudde het touw en werd er met zijnen buit, totgroote verbazing aller aanwezenden, uitgetrokken.

Het is opmerkelijk, dat de Wolf zoodra hij zich verschalkt ziet en geene mogelijk­heid vindt om te ontkomen , allen moed verliest, en door de vrees gedurende eenige oogenblikken zoo beangst is , dat men hem zonder zwarigheid dooden , of levend van­gen kan; ja dat hij zich in dat oogenblik eenen muilband aandoen, en zich als een hond aan een koord laat rondvoeren. Het schijnt dat de schrik alle wildheid en bloed- gierigheid uit hem verdrijft. Het is aan deze omstandigheid toeteschrijvcn , dat een hoer , welke in eenen wolvenkuil gevallen was, waarin reeds een Wolf gevangen zat, on­beschadigd bleef. De laatste had door het