58 DE OLIFANT.

Deze ging met zijne vrouw inhetbosch, om takken en loof, tot voeder voor den Olifant te halen , welken zij vooraf aan eenen in den grond geslagen paal vast gemaakt hadden , en stelden een klein kind, dat nog niet loo- ppn kon , onder zijn opzigt. De Olifant ver- rigte het opgedragene werk zeer getrouw , en bewaarde het kind niet alleen van alle on­gelukken , maar trok het ook zeer zacht met den snuit in zijne nabijheid , als het verder wilde voortkruipen dan zijn kring zich uit­strekte , en waar derhalve zijne bescherming moest ophouden *.

Een sterker bewijs van de geestige hoe­danigheden der Olifanten is de gehecht­heid of vriendschap , die zij betoonen, om­trent diegenen, welke met hen omgaan , of hun anders aangenaam zijn. Een Olifant had zulk eene gehechtheid aan een zeer klein

* Zie de afbeelding op plaat y.