64 DE OLIFANT.

malen , gedurende zijnen loop, in de rivier, waarna hij hem , zonder hem verder iets te doen , liet gaan. Een andere Olifant had de gewoonte, dat hij, als hij door de straten ging, zijnen snuit door de vensters stak, om vruchten, wortelen en andere levens­middelen , welke men hem gewoon was te geven , aan te nemen. Als hij nu eens des morgens naar het wet gebragt werd, ging hij eenen snijder voorbij , en stak ook tot dezen zijnen snuit door het venster heen, om wat eetwaren te bedelen. In plaats evenwel hem die te geven , stak de snijder hem met eene naainaald in den snuit. De Olifant scheen deze beleediging in het geheel niet te ach­ten; maar ging gerust naar het water en baadde zich. Toen hij hiermede gereed was, roerde hij met den eenen voorpoot den mod­der door het water, en slorpte eene groole hoeveelheid van dit drabbige water in den snuit. Geheel onverschillig liep het dier met