DE OLIFANT.
kleinere , en alle drie zijn doornaamve doorgangen met elkander verbonden. Om ieder van deze omheiningen loopt eene diepe gracht, van welke echter die hij de binnenste dieper is, dan die bij de twee buitenste. In het algemeen is de binnenste omheining door palen van geheele boomstammen met de diepste gracht het beste bewaard, omdat men de Olifanten alleen dan als gevangen kan beschouwen, als zij tot hier zijn doorgegaan. Opdat de Olifanten niet vreezen of eene list vermoeden zouden, zijn de wegen en de omtuiningen allen met boomtakken en bamboesriet bedekt , zoo dat de Olifanten deze voorwerpen voor een natuurlijk bekleedsel aanzien. De grootste zwarigheid bestaat slechts daarin, hoe een troep Olifanten , welke men vangen wil, in deze omtuiningen gelokt zal worden ; want niet tegenstaande alle gebruikte maatregelen van voorzigtigheid , ducht toch de aanvoer-

