DE APEN. 165
als zij met hunne handen of met hunne rol- staarten eenen tak hunnen bereiken , dan vallen zij niet, maar blijven hangen. Het smertte mij menigmaal, als ik een van deze Apen door een schot gewond of hem eenen arm of een been aan stukken geschoten had, en ik zien moest, hoe het arme dier het gekwetste gedeelte met strakke oogen beschouwde , hetzelve bevoelde, en zich van den eenen naar den anderen kant keerde.
Deze Apen komen zelden , en, zoo als eenigen verzekeren, nooit op den grond ; menigmaal echter vindt men dezelven aan den oever van de zee , alwaar zij mosselen en slakken opzoeken. Zij leggen dezelve alsdan , op eenen steen, en kloppen met eenen anderen er zoo lang op , tot dat de schaal breekt , waarna zij het daarin zijnde dier met veel smaak opeten. Men kan hunne jongen niet anders in zijne magt beko

