DE KANGURO. 177
zoo als bij de katten. Van den smallen hals en schouders af wordt het dier naar achteren langzaam dikker, en is aan de heupen en liet onderlijf het sterkste. De voorpooten van den grooten Kanguro zijn nagenoeg achttien duim lang , terwijl in tegendeel deaclilerpooten drievoeten en zeven duim lengte hebben. Hij bedient zich van de eersten , alleen om zijne slaapplaats te maken , en voedsel in zijnen hek te brengen ; hij gaat eigenlijk opde achtersten, en doet daarmede sprognen van zes tot zeven voet hoog. Aan iederen voet heeft hij maar drie teenen, van welke de middelste het langste en het sterkste is. De staart van den Kanguro is lang, aan het begin dik, wordt langzamerhand dunner en eindigt in eene punt. Hij bedient zich van dit gedeelte zijns ligchaams tot verdediging en slaat daarmede zoo hevig , dat hij daarmede een mensch het been kan verbrijzelen. Men beschouwde daarom

