HET HERT. i 97

verre , dan blijft liet stil staan , beschouwt denzelven met eene soort van domme ver­wondering , en als het geene honden of snap­haan bemerkt, dan gaat het met langzame schreden voorwaarts, en schijnt er zeer on­verschillig over te zijn. In het algemeen vreest liet Hert den mensch niet zeer; in tegendeel nadert het hem , en hoort de flui­ten der herders gaarne , zoodat men deze ook dikwijls gebruikt, om het te misleiden. Als de Herten over eene rivier moeten, gaan zij in eene rij achter elkander in het water, en ieder volgend Hert legt zijnen voorganger den kop op den rug. Indien de aanvoerder van zulk eene rij vermoeid is, dan gaal hij achter aan , en geeft de aanvoe­ring aan zijnen opvolger over. In het alge­meen zw'emmen zij zeer goed , want men heeft hen dikmaalsover zeeboezems en naar eilanden zien zwemmen, die eenige mijlen van elkander lagen. In opzigt lot de keus

* 7 -