206 DE STRUISVOGEL.

zeven tot negen voeten hoogte ; evenwel vindt men deze dieren nimmer hooger, maar wel iets kleiner. De kleine kop en het grootste deel van den langen hals is hiel­en daar met op zichzelven staande haren dun bezet, en geenszins met vederen over­dekt; aan het ligchaam heeft hij echter zwarte vederen , die eenigzins van elkan­der afstaan. De vederen der vleugels en van den staart zijn sneeuwwit , en eindigen in eene zwarte punt. De vleugels zijn met ste­kels voorzien, welke naar die van het ste­kelvarken gelijken , en aan de zijden bevin­den zich zoo min vederen als aan de sterke en graauwachtig bruine pooten.

De heete zandwoestijnen van Azië en Afri­ka zijn de eenige plaatsen waar men Struis­vogels vindt, en men treft dezelven daar dikwijls in zulke groote en talrijke kudden aan, dat men die op eenigen afstand voor eenen troep ruiters zou houden. Zoo als bo-