geduldig zijne prooi af. Wanneer nu een dier hem nabij komt, dan doet hij eenen ontzaggelijken sprong op hetzelve en be­reikt het meestentijds. Ontsnapt het hem echter, dan zet hij het niet verder na ; maar keert terug naar de plaats, van waar hij opsprong, en meet, als het ware de ruimte, welke tusschen die plaats en het punt is , waar zijne prooi stond, even als of hij zich wilde onderrigten, hoeveel hij verder of korter had moeten springen.

Ofschoon de Leeuw in den vrijen staat, en als hij honger heeft een zeer verschrik-

DE LEEUW. 7

voorpootcn over den neus en den mond heen. Daardoor nu , dat hij hem den neus en den mond toehoudt, belet hij hem adem te halen, en daar hij niet los­laat, zoomoet zulk een dier verslikken, en zoo zijn buit worden. Als hem de honger niet zeer plaagt, dan legt hij zich in eene hinderlaag op den buik , en wacht