DE LEEUW.
is, om de gebaarden der menschen eenig- zins te kunnen -verstaan. Op het einde der achttiende eeuw hrak een Leeuw uit de menagerie van den Groothertog van Toscane in Florence uit, en liep in de stralen der stad rond. De schrik verbreidde zich overal, en alles vlugtte. Nu verloor, onder het vlug- ten, eene vrouw haar kind , dat zij op den arm droeg, en de Leeuw raapte het met zijne muil op. Van schrik buiten zich zelve, werpt de moeder zich voor het dier op de kuien en smeekte, met de aandoenlijkste woorden, om het leven van haar kind. De Leeuw bleef stil staan , beschouwde de vrouw met een strak gezigt, en legde nu het kind weder neer , zonder het beschadigd te hebben, waarop hij zich verwijderde. *
Eene andere goede hoedanigheid van den Leeuw, in den tammen staat, is zijne ver-
* Zie de afbeelding op de plaat i.

