i4 DE LEEUW.

zaamheid , als men. zich van deze uitdruk­king mag bedienen , draagt zekerlijk het bovengemelde gevoel vansmenschen meer­derheid iets bij; maar nog meer de aan- geborene grootmoedigheid van dit dier, waarom het ook menigmaal beleedigingen niet acht, welke hem van te zwakke vijanden gedaan worden. Zoo werd, bij voorbeeld, een kleine hond bij eenen Leeuw opgesloten , welke hem niet alleen niet doodde, maar , als het ware, met hem in vriendschap leef­de ; en als deze eens zoo onbescheiden was , den Leeuw door knorren , van het vleesch , dat hem tot voedsel gegeven was , weg te jagen , liet hij hem gerust eten, in plaats van dit onbetamelijk gedrag te wreken, en vergenoegde zich daarna met hetgeen de hond had overgelaten. Het volgende merkwaardige voorbeeld bewijst niet alleen de grootmoedigheid van den Leeuw , maar schijnt mede te bewijzen, dat hij in staat