3a DE TIJGER.

heeft hij nog geen enkel bewijs van voor­malige wildheid gegeven, nooit iemand het minste leed gedaan , en schijnt in het alge­meen zijnen oppasser buitengemeen lief te hebben, want hij gehoorzaamt hem op het woord.

Vooreenige jaren liet zijn oppasser eenen dashond , die er slecht uitzag , in het hok van den Tijger, die hem niet alleen niets deed , maar hem in het vervolg zoo lief kreeg , dat hij geheel treurig was, als men den hond wegnam , om denzelven voedsel te geven . en telkens zijne vreugde betoonde, als deze weder terug gebragt werd, door hem zeer voorzigtig te belik- ken. Men liet den dashond ook eens bij den Tijger als deze voedsel ontving , en de hond was zoo vrijpostig, dat hij met den Tijger mede at, hetwelk deze, zonder het minste teeken van ontevredenheid te ge­ven , toeliet. Na verloop van verscheidene