8a DE OLIFANT.

hij hem den kop en den snuit met eenen aan het eind gespleten stok , jaagt de vliegen van de wonden des diers af., besprenkelt het tot verfrissching met koud water , en zoekt zich op alle mogelijke wijze bij den Olifant be­mind te maken . doch neemt zich onder dit alles voor zijnen snuit in acht. Na eenige dagen nadert hij voorzigtig den Olifant op zijde , klopt hem zacht met de vlakke hand, en spreekt hem vriendelijk toe , en zoo leert hij zijnen oppasser kennen en hem gehoor­zamen. Van tijd tot tijd vermeerdert het vertrouwen , en de oppasser kan het wagen zich op den hals van den Olifant te zetten en hem te besturen. Nu wordt hij door tam­me Olifanten geleid en buiten gevoerd ; de touwen, welke hem kwetsten, als zij niet somwijlen met anderen verwisseld wer­den , w'orden losgemaakt. Na vijf of zes we­ken volgt de Olifant zijn geleider, waar deze hem ook stuurt, en men ontdoet hem