146 DE APEN.
nigte wonderlijke bewegingen , die zeer vermakelijk zijn. Als men hen de voorpootente zamen bindt, loopen zij op de achter- pooten, met even zoo veel vlugheid en spoed , als wanneer zij die alle vier gebruiken kunnen. Zij voeden zich voornamelijk met vruchten, wortelen , enz. , en uit gebrek van dien met visschen , die zij volgens het vei’haal van sommige reizigers met hunne staarten vangen. Wanneer zij op eene plundering van velden of tuinen uitgaan, plaatsen zij in den top van eenen boom , even als vele andere aapsoorten, een of meer shildwachten , welke hun van het naderend gevaar moeten onderrigten. Als zij in een bosch , waar zij verblijven , van den top eens booms tot eenen anderen willen gaan , die echter verder af is dan zij kunnen bespringen , dan grijpen zij elkander bij den staart, en maken aldus eene ketting , welke zoo lang blijft schommelen , tot dcit degene,

