i5o DE APEN.
brengen, Zij grijpen namelijk als zij een veld bezoeken , dat met linzen beplant is, in ie^ dere hand een of twee stengels , even zoo veel onder iederen arm en in den bek, en zoo springen zij op de acbterpooten voort. Zoo zij vervolgd worden, werpen zij de linzenstengels, welke zij in de banden en onder de armen hebben , weg, opdat zij des te sneller op alle vier pooten zouden kunnen loopen , en behouden alleen die bij zich , welke zij in den bek hebben. Als zij integendeel niet verstoord worden , dan bekijken zij eerst iedere uitgetrokken linzenplan c naauwkeurig ; bevalt dezelve hun niet, dan werpen zij die weg en nemen eene andere , waardoor zij ruim zoo veel verwoesten , als zij gebruiken.—Zij bewonen het zuiden van Afrika , Indie , Java en worden daar zelfs in strikken gevangen, welke men op boomtakken legt, waarop zij gewoonlijk hunne belagchelijke en kluchtige sprongen doen.

