DE KANGURO. i 79

meen geraas zij ne achterpooten op den grond slaat, waarbij hij dan op de punt van zijnen staart Schijnt te staan. Dit dier heeft de bij­zondere eigenschap , dat het zijne voorste langesnijtandeninden onderkaak zeer verre van elkander kan verwijderen. Het wijfje, dat iets kleiner is dan het mannetje, heeft eenen zak aan den huik, even als het ge- meene buideldier, in welke het hare jongen groot brengt en voor gevaar beschut. In den vrijen staat leven deze dieren in onder- aardsche holen , en gaan in hoopen van der­tig of veertig met elkander om te weiden. Het vleesch van den Kanguro is zeer grof, sommigen vergelijken het bij schapen- vleesch.

Tegenwoordig kan men den Kanguro in Engeland als inlandsch aanmerken, want verscheidenen der zelve hebben aldaar jongen voortgebragt. Een van deze dieren , dat aldaar in eene menagerie werd onderhou-