186 DE BUFFEL.

naderen van den nacht, van honderd vijftig tot twee honderd stuks ziet grazèn; bij de aannadering van den dag trekken zij ech­ter in hunne struiken terug.

De aaid van de Buffels is wild en wreed. Dikwijls verbergen zij zich in het hout, en loeren lot dat een voorbijganger het on­geluk heeft in hunne nabijheid te komen. De vlugt helpt zulk eenen niets , want het woedende dier haalt hem in, en er blijft ver­der niets over , dan op eenen boom te vlug- ten. Bereikt echter de Buffel zulk eenen ongelukkigen, dan is hij niet voldaan , dat hij hem op den grond werpt en om het leven brengt, hij blijft ook nog lang op het doode ligchaam liggen , dat hij met voeten treedt

en met de knien verbrijzelt. Dit is nog niet genoeg ; hij verscheurt hem ook met zijne hoornen en tanden, en trekt hem door ge­durig likken het vel af. Al deze wreede han* delingen verrigt echter de Buffel niet op