208 DE STRUISVOGEL.

tebijten, zoo kan hij op eenigen afstand niet ligt gezien worden; op het minste ge- ruisch steekt hij zijn kop weder op, en meestal vlugt hij reeds, eer hem de land­man , die hem beloert, bereiken en doó- den kan. Als de Struisvogel loopt, heeft hij een trotsch en statig voorkomen, en zelfs in het grootste gevaar schijnt hij zich in het loopen niet zeer te overhaasten, inzonder­heid zoo de wind gunstig is ; want als hij den wind achter heeft, dan blaast deze tegen de vleugels, en dan kan het vlugste paard hem niet inhalen. Is echter de lucht stil en heet, of heeft de vogel een vleugel verloren , dan kan men hem gemakkelijk bijkomen.

Oude schrijvers verhalen , dat de Struis­vogel zijne eijeren in het zand legt, en nadat hij dezelven daarmede bedekt heeft, het uitbroeden aan de zon overlaat, en zich verder niet over zijne jongen bekommert ; nieuwere schrijvers verzekeren in tegendeel,