i48 DE APEN.

voor eenen reus van zijne soort hield. On­der dit beschouwen danste hij bij afwisse­ling op de hoornen rond, knarste op zijne tanden en schudde de takken met ongeloo­felijk geweld en kracht. De kapitein schoot op hem en hij viel in het water; doch was echter niet dood , maar zwaar gewond. Hij greep hem hierop hij den staart, slingerde hem om en sloeg den kop tegen den rand van het vaartuig om een einde aan zijne pijn te maken. Dan het arme dier leefde nog, en dewijl hij den kapitein op de aan­doenlijkste wijze aauzag , wist deze zich niet anders te helpen , dan dat hij hem onder water hield, zoo lang tot hij' dood en zijn lijden geëindigd was. Onder dit alles bloedde hem het hart van medelijden, want de kleine stervende oogen van den Aap waren zoo lang op hem gerigt, en sche­nen hem zijne wreedheid te verwijten, tot dat zij zich sloten en hij het leven ver-